Gebruikscontroletabellen

In het systeem worden gebruikscontrolegegevens opgeslagen in drie databasetabellen.

Deze tabellen worden gemaakt door het gebruikscontroleproces en krijgen de namen die u opgeeft op de pagina 'Systeeminstellingen'.

  • Tabel voor het loggen van logische query's naar gebruiksgegevens
  • Tabel voor het loggen van fysieke query's naar gebruiksgegevens
  • Initialisatiebloktabel voor gebruikscontrole

Zie Parameters voor gebruikscontrole instellen.

Tabel voor het loggen van logische query's naar gebruiksgegevens

De volgende tabel bevat een beschrijving van alle kolommen in de databasetabel waarin logische query's worden bijgehouden. Voor zover van toepassing worden het gegevenstype, bijvoorbeeld een veld met variabele tekens (VARCHAR en VARCHAR2), en de lengte opgegeven. Als u de beschrijvingen in deze tabel bekijkt, zou u kunnen aannemen dat het optellen of aftrekken van bepaalde tijdgerelateerde kolommen een exact resultaat oplevert. U zou bijvoorbeeld kunnen denken dat TOTAL_TIME_SEC gelijk is aan END_TS min START_TS. In de kolommen worden zulke exacte waarden echter niet weergegeven. Oorzaken hiervan zijn:
  • Verschillende processen worden parallel uitgevoerd. De snelheid van deze processen is afhankelijk van de belasting en van de databaseprestaties. Serverbewerkingen kunnen licht of intensief zijn.
  • Als alle verbindingen bezet zijn, wordt de query in een wachtrij geplaatst totdat de query kan worden verwerkt. De timing is afhankelijk van de belasting en de configuratie.

Gebruiker, sessie en aan ID gerelateerde kolommen

Kolom Beschrijving

ID

In de tabel 'Logische query' geeft deze kolom de unieke rij-ID aan. In de tabel 'Fysieke query' wordt deze kolom aangegeven met de naam LOGICAL_QUERY_ID.

NODE_ID

Bevat <hostname>:obis1. Bijvoorbeeld: voorbeeldhost:obis1 (voor één instance).

PRESENTATION_NAME

Geeft de naam van de catalogus aan. De standaardwaarde is 'null' en het gegevenstype is 'VARCHAR(128)'.

IMPERSONATOR_USER_NAME

Geeft de gebruikersnaam van de geïmiteerde gebruiker aan. Als de aanvraag niet als een geïmiteerde gebruiker is uitgevoerd, is de waarde 'Geen'. De standaardwaarde is 'Geen' en het gegevenstype is 'VARCHAR(128)'.

USER_NAME

Geeft de naam van de gebruiker aan die de taak heeft verstuurd.

ECID Geeft de ID van de uitvoeringscontext aan die door het systeem is gegenereerd. Het gegevenstype is 'Varchar2(1024)'.
TENANT_ID Geeft de naam aan van de tenant van de gebruiker die het initialisatieblok heeft uitgevoerd. Het gegevenstype is 'Varchar2(128)'.
SERVICE_NAME Geeft de naam van de service aan. Het gegevenstype is 'Varchar2(128)'.
SESSION_ID Geeft de ID van de sessie aan. Het gegevenstype is 'Number(10)'.
HASH_ID Geeft de HASH-waarde voor de logische query aan. Het gegevenstype is 'Varchar2(128)'.

Aan herkomst van zoekvraag gerelateerde kolommen

Kolom Beschrijving

QUERY_SRC_CD

De bron van de aanvraag.

Opmerking: de aanvrager kan QUERY_SRC_CD instellen op elke gewenste stringwaarde om zichzelf te identificeren.

Mogelijke waarden zijn:
  • Rapport - Als de bron een analyse of exportbewerking is
  • Drill - Als de bron een wijziging in een dimensie is die is veroorzaakt door omhoog of omlaag drillen.
  • Waardeprompt - Als de bron de dropdownlijst 'Waarde' in een filterdialoogvenster is, of een dashboardprompt
  • VisualAnalyzer - Als de bron een werkmap voor het visualiseren van gegevens is.
  • DisplayValueMap of MemberBrowserDisplayValues of MemberBrowserPath - Als de bron een waarde is die is gerelateerd aan de weergave van een analyse.
  • SOAP - Als de bron een aanroep van een webservice is, zoals DataSetSvc.
  • Basis - Als de bron een agent is die de cache van de analyseserver plaatst
  • Null - als de bron de fysieke tabel of aantal kolommen van het beheerprogramma is, of weergavegegevens

SAW_DASHBOARD

Geeft de padnaam van het dashboard aan. Als de query niet via een dashboard is verstuurd, is de waarde 'null'.

SAW_DASHBOARD_PG

Geeft de paginanaam in het dashboard aan. Als de aanvraag geen dashboardaanvraag is, is de waarde 'null'. De standaardwaarde is 'null' en het gegevenstype is 'VARCHAR(150)'.

SAW_SRC_PATH

Geeft de padnaam in de catalogus voor de analyse aan.

Aan details van zoekvraag gerelateerde kolommen

Kolom Beschrijving

ERROR_TEXT

Bevat de foutmelding van de backend-database. Deze kolom is alleen van toepassing als SUCCESS_FLAG is ingesteld op een waarde die niet gelijk is aan 0 (nul). Meerdere berichten worden samengevoegd en worden niet ontleed door het systeem. De standaardwaarde is 'null' en het gegevenstype is 'VARCHAR(250)'.

QUERY_BLOB

Bevat het gehele logische SQL-statement zonder afkapping. De kolom QUERY_BLOB is een tekenstring van het type LONG.

QUERY_KEY

Bevat een MD5-hashsleutel die door het systeem is gegenereerd op basis van het logische SQL-statement. De standaardwaarde is 'null' en het gegevenstype is 'VARCHAR(128)'.

QUERY_TEXT

Geeft het SQL-statement aan dat voor de query is verstuurd. Het gegevenstype is 'VARCHAR(1024)'.

U kunt de lengte van deze kolom wijzigen (met behulp van de opdracht 'ALTER TABLE'). Houd er rekening mee dat de tekst die in deze kolom wordt geschreven, altijd wordt afgebroken tot de lengte die in de fysieke laag is gedefinieerd. De beheerder van het semantisch model mag de lengte van deze kolom niet instellen op een waarde die hoger is dan de maximale querylengte die door de backend-database wordt ondersteund. Bijvoorbeeld: in Oracle databases geldt een maximum van 4000 VARCHAR-tekens, maar er wordt afgekapt tot 4000 bytes in plaats van tot 4000 tekens. Als u een multibyte-tekenset gebruikt, bestaat de werkelijke maximumgrootte van de string uit een variabel aantal tekens. Dit aantal is afhankelijk van de gebruikte tekenset en tekens.

REPOSITORY_NAME

Hiermee wordt de naam van het semantisch model opgegeven van het door de query benaderde semantisch model.

SUBJECT_AREA_NAME

Bevat de naam van het benaderde bedrijfsmodel.

SUCCESS_FLG

Geeft de voltooiingsstatus van de query aan, zoals gedefinieerd in de volgende lijst:

  • 0 - De query is voltooid zonder fouten.
  • 1 - Er is een time-out in de query opgetreden.
  • 2 - De query is mislukt vanwege overschrijding van rijlimieten.
  • 3 - De query is mislukt vanwege een andere reden.

Aan uitvoeringstiming gerelateerde kolommen

Kolom Beschrijving

COMPILE_TIME_SEC

Bevat de benodigde tijd (in seconden) voor het compileren van de query. Het aantal seconden uit COMPILE_TIME_SEC is opgenomen in TOTAL_TIME_SEC.

END_DT

Geeft de datum aan waarop de logische query is voltooid.

END_HOUR_MIN

Geeft het tijdstip (in uren en minuten) aan waarop de logische query is voltooid.

END_TS

Geeft de datum en tijd aan waarop de logische query is voltooid. De begin- en eindtijdstempels geven ook de tijd weer dat tijdens uitvoering van de query is gewacht op beschikbare resources. Als de gebruiker die de query verstuurt, de pagina verlaat voordat de query is voltooid, wordt de definitieve ophaalbewerking niet uitgevoerd en wordt de time-outwaarde '3600' vastgelegd. Maar als de gebruiker terugkeert naar de pagina voordat de time-out optreedt, wordt de ophaalbewerking op dat tijdstip voltooid. Dit tijdstip wordt vastgelegd als de end_ts-tijd.

START_DT

Geeft de datum aan waarop de logische query is verstuurd.

START_HOUR_MIN

Geeft het tijdstip (in uren en minuten) aan waarop de logische query is verstuurd.

START_TS

Geeft de datum en tijd aan waarop de logische query is verstuurd.

TOTAL_TIME_SEC

Geeft de tijd (in seconden) aan dat in het systeem aan de zoekvraag is gewerkt terwijl de client wachtte op reacties op analysen. TOTAL_TIME_SEC omvat de tijd voor COMPILE_TIME_SEC.

RESP_TIME_SEC Geeft de responstijd voor een query aan. Het gegevenstype is 'Number(10)'.

Aan uitvoeringsdetails gerelateerde kolommen

Kolom Beschrijving

CUM_DB_TIME_SEC

Bevat de cumulatieve tijd van alle query's die naar de database zijn verstuurd. Query's worden parallel uitgevoerd, dus de cumulatieve querytijd is gelijk aan of groter dan de totale tijd van de verbinding met de database. Bijvoorbeeld: stel dat via een logische aanvraag 4 fysieke SQL-statements worden uitgevoerd die naar de database worden verstuurd, waarbij de querytijd voor 3 van de query's 10 seconden is en voor 1 query 15 seconden. In CUM_DB_TIME_SEC wordt dan 45 seconden weergegeven omdat de query's parallel worden uitgevoerd.

CUM_NUM_DB_ROW

Bevat het totale aantal rijen dat door de backend-databases wordt geretourneerd.

NUM_DB_QUERY

Geeft het aantal query's aan dat naar de backend-databases is verstuurd om aan de aanvraag van de logische query te voldoen. Bij geslaagde query's (SuccessFlag = 0) is dit getal groter dan of gelijk aan 1.

ROW_COUNT

Geeft het aantal rijen aan dat aan de queryclient is geretourneerd. Als uit een query een grote hoeveelheid gegevens wordt geretourneerd, wordt deze kolom pas gevuld als de gebruiker alle gegevens weergeeft.

TOTAL_TEMP_KB Geeft het totale aantal KB's aan dat is ontvangen voor een query. Het gegevenstype is 'Number(10)'.

Aan cache gerelateerde kolommen

Kolom Beschrijving

CACHE_IND_FLG

Bevat 'J' om een cachetreffer voor de query weer te geven of 'N' als het een cachemisser betreft. De standaardwaarde is 'N'.

NUM_CACHE_HITS

Geeft het aantal geretourneerde cachetreffers in het resultaat voor de query aan. NUM_CACHE_HITS is een 32-bits geheel getal (of een geheel getal van 10 cijfers). De standaardwaarde is 'null'.

NUM_CACHE_INSERTED

Geeft het aantal door de query gegenereerde cachevermeldingen aan. De standaardwaarde is 'null'. NUM_CACHE_INSERTED is een 32-bits geheel getal (of een geheel getal van 10 cijfers).

Tabel voor het loggen van fysieke query's naar gebruiksgegevens

De volgende tabel bevat een beschrijving van de databasetabel waarin fysieke query's worden bijgehouden. In deze databasetabel worden de fysieke SQL-gegevens vastgelegd voor de logische query's die in de tabel voor het loggen van logische query's zijn opgeslagen. De tabel met fysieke query's is via een externe sleutel gekoppeld aan de tabel met logische query's.

Gebruiker, sessie en aan ID gerelateerde kolommen

Kolom Beschrijving

ID

Geeft de unieke rij-ID aan.

LOGICAL_QUERY_ID

Verwijst naar de logische query in de tabel voor het loggen van logische query's. Het gegevenstype is 'VARCHAR(250)'.

HASH_ID Geeft de HASH-waarde voor de logische query aan. Het gegevenstype is 'Varchar2(128)'.
PHYSICAL_HASH_ID Geeft de HASH-waarde voor de fysieke query aan. Het gegevenstype is 'Varchar2(128)'.

Aan details van zoekvraag gerelateerde kolommen

Kolom Beschrijving

QUERY_BLOB

Bevat het gehele fysieke SQL-statement zonder afkapping. De kolom QUERY_BLOB is een tekenstring van het type LONG.

QUERY_TEXT

Bevat het SQL-statement dat voor de query is verstuurd. Het gegevenstype is 'VARCHAR(1024)'.

Aan uitvoeringstiming gerelateerde kolommen

Kolom Beschrijving

END_DT

Geeft de datum aan waarop de fysieke query is voltooid.

END_HOUR_MIN

Geeft het tijdstip (in uren en minuten) aan waarop de fysieke query is voltooid.

END_TS

Geeft de datum en tijd aan waarop de fysieke query is voltooid. De begin- en eindtijdstempels geven ook de tijd weer dat tijdens uitvoering van de query is gewacht op beschikbare resources.

TIME_SEC

Geeft de uitvoeringstijd van de fysieke query aan.

START_DT

Geeft de datum aan waarop de fysieke query is verstuurd.

START_HOUR_MIN

Geeft het tijdstip (in uren en minuten) aan waarop de fysieke query is verstuurd.

START_TS

Geeft de datum en tijd aan waarop de fysieke query is verstuurd.

Aan uitvoeringsdetails gerelateerde kolommen

Kolom Beschrijving

ROW_COUNT

Bevat het aantal rijen dat aan de queryclient is geretourneerd.

Initialisatiebloktabel voor gebruikscontrole

De volgende tabel bevat een beschrijving van de databasetabel waarin informatie over de initialisatieblokken wordt bijgehouden.

Opmerking:

De tabellen voor gebruikscontrole van initialisatieblokken bevatten momenteel alleen sessie-initialisatieblokken en geen semantische-modelinitialisatieblokken.

Gebruiker, sessie en aan ID gerelateerde kolommen

Kolom Beschrijving
USER_NAME Geeft de naam aan van de gebruiker die het initialisatieblok heeft uitgevoerd. Het gegevenstype is 'Varchar2(128)'.
TENANT_ID Geeft de naam aan van de tenant van de gebruiker die het initialisatieblok heeft uitgevoerd. Het gegevenstype is 'Varchar2(128)'.
SERVICE_NAME De naam van de service. Het gegevenstype is 'Varchar2(128)'.
ECID Geeft de ID van de uitvoeringscontext aan die door het systeem is gegenereerd. Het gegevenstype is 'Varchar2(1024)'.
SESSION_ID Geeft de ID van de sessie aan. Het gegevenstype is 'Number(10)'.

Aan details van zoekvraag gerelateerde kolommen

Kolom Beschrijving
REPOSITORY_NAME De naam van het door de query benaderde semantisch model. Het gegevenstype is 'Varchar2(128)'.
BLOCK_NAME Geeft de naam aan van het initialisatieblok dat is uitgevoerd. Het gegevenstype is 'Varchar2(128)'.

Aan uitvoeringstiming gerelateerde kolommen

Kolom Beschrijving
START_TS Geeft de datum en tijd aan waarop het initialisatieblok is gestart.
END_TS Geeft de datum en tijd aan waarop het initialisatieblok is voltooid. De begin- en eindtijdstempels geven ook de tijd weer dat tijdens uitvoering van de query is gewacht op beschikbare resources.
DURATION Geeft de duur van de uitvoering van het initialisatieblok aan. Het gegevenstype is 'Number(13,3)'.

Aan uitvoeringsdetails gerelateerde kolommen

Kolom Beschrijving
NOTES Bevat opmerkingen over het initialisatieblok en de uitvoering ervan. Het gegevenstype is 'Varchar2(1024)'.