Eigenschappen voor een meter configureren

Pas een metervisualisatie aan door de eigenschappen bij te werken.

Wanneer u een datameter voor een horizontale staaf of verticale staaf gebruikt, kunt u de lengte en dikte van de meter en de positie van de bereiklabels opgeven. Bij horizontale staven kunt u ook de positie van de waarden opgeven. U kunt dit doen via het tabblad 'Algemeen' in het deelvenster 'Eigenschappen'.

  1. Beweeg op de beginpagina de muisaanwijzer boven een werkmap, klik op Acties en selecteer Openen.
  2. Klik op een metervisualisatie om deze te selecteren.
  3. Klik op Eigenschappen. Breid de sectie 'Datameter' uit.

  4. Houd in de rij 'Type' het standaardtype halfronde meter vast of klik op Semi-circulair en selecteer een andere optie om de metervorm te wijzigen:
    • Circulair
    • Horizontale staaf
    • Verticale staaf
  5. Klik in de rij 'Begin' op Automatisch, selecteer Aangepast en voer een waarde in.
  6. Klik in de rij 'Einde' op Automatisch, selecteer Aangepast en voer een waarde in.
  7. Klik in de rij 'Bereiklabels' op Geen en selecteer:
    • Begin/Einde om de begin- en eindwaarden te tonen die zijn opgegeven in de eigenschappen 'Begin' en 'Einde'.
    • Alle om bereikwaarden met gelijke intervallen langs de meter te tonen, inclusief de begin- en eindwaarden.
  8. Klik op het tabblad Waarden en vouw het gegevenselement uit dat u wilt configureren.

  9. Klik op Opslaan.