Met kaartweergaven worden gegevens in ruimtelijke vorm getoond en worden trends en transacties uit meerdere regio's weergegeven op basis van de locatiecontext. Een kaartweergave kan bijvoorbeeld een kaart van de Verenigde Staten tonen waarin de staten een kleur krijgen op basis van de verkoopcijfers.
Zelfstudie
Eerst selecteert u de kolommen die u wilt weergeven in de kaartweergave. De beheerder kan meerdere achtergrondkaarten opgeven. In eerste instantie wordt de kaartweergave weergegeven met de eerste achtergrondkaart die ten minste één laag heeft die is gekoppeld aan een kolom die u hebt geselecteerd. U kunt een kaartweergave bewerken door een andere achtergrondkaart te selecteren, lagen op de achtergrondkaart toe te passen en de lagen op te maken.
- Open de analyse die u wilt bewerken.
- Klik op het tabblad Resultaten.
- Klik op Eigenschappen bekijken.
- Geef op het tabblad 'Canvas' de kaartgrootte op.
- Gebruik Canvasgrootte om de grootte van de kaart in de bijbehorende container op te geven. U kunt Standaard, Aangepast of een vooraf gedefinieerde grootte selecteren. Als u Standaard of een vooraf gedefinieerde grootte selecteert, zijn er geen andere opties beschikbaar en wordt de grootte van de kaart aangepast aan de container. De container is het gebied waarop de kaart staat, zoals het gebied in de editor voor kaarten of de sectie van een dashboardpagina.
- Gebruik Regelterugloop kaart om een terugloopfunctionaliteit op te geven wanneer u lijnopmaaktypen aan een kaart toevoegt. Lijnen zijn de enige opmaaktypen die kaartranden overschrijden, zoals een vlucht van een vliegtuig van San Francisco naar Tokio. Wanneer deze functie is ingeschakeld, kunt u de kaart pannen zodat de lijnen niet worden onderbroken.
- Geef op het tabblad 'Labels' aan of labels moeten worden getoond voor alle lagen of voor specifieke lagen in de kaartweergave.
Het tabblad bevat een vak voor elke laag in de kaartweergave. De labels worden weergegeven in dezelfde volgorde als de lagen die worden weergegeven in het onderdeel 'Kaartopmaaktypen' van de Kaarteditor. Bij aangepaste puntenlagen zijn labels standaard verborgen.
- Kies op het tabblad 'Interactie' in de sectie 'Eerste kaartweergave' het eerste middelpunt van de kaart en het zoomniveau.
- Geef op het tabblad 'Hulpprogramma's' op welke hulpprogramma's beschikbaar zijn voor de kaart, zoals de schuifregelaar voor zoomen en de afstandsindicator.
- Klik op OK.
- Pas opmaak toe op de lagen.
- Klik op Weergave bewerken.
- Wijzig de opmaaktypen en lagen.
- Klik op Gereed.
- Drill in waarden.