Variabeleprompts maken

Een variabeleprompt biedt de gebruiker de mogelijkheid om een waarde die is opgegeven in de variabeleprompt voor weergave op het dashboard te selecteren.

Een variabeleprompt is niet afhankelijk van een kolom, maar kan wel gebruikmaken van een kolom. U kunt variabeleprompts gebruiken om de gebruiker toe te staan om bestaande gegevens op te geven om verkoopprojecties uit te voeren.

U kunt bijvoorbeeld een variabeleprompt met de naam 'Verkoopverwachtingen' maken en de variabelepromptwaarden opgeven als 10, 20 en 30 procent. Vervolgens maakt u een analyse die de kolommen 'Regio' en 'Dollars' bevat. Binnen de formule van de kolom 'Dollars' selecteert u de vermenigvuldigingsoperator en voegt u de variabele 'Verkoopverwachting' in. Wanneer gebruikers deze analyse uitvoeren, kunnen ze een percentage selecteren op basis waarvan de kolom 'Dollars' opnieuw moet worden berekend.

  1. Open de analyse die u wilt bewerken.
  2. Geef het tabblad 'Prompts' weer.
  3. Klik in het deelvenster 'Definitie' van het tabblad 'Prompts' op Nieuw en vervolgens op Variabeleprompt om het dialoogvenster 'Nieuwe prompt' weer te geven.
  4. Selecteer in het vak Prompt voor het type variabele dat u maakt en voer vervolgens de naam van de variabele in.

    Deze variabelenaam is de naam die u toevoegt aan de analyse of het dashboard waar u wilt dat de door de gebruiker opgegeven waarde van de variabeleprompt wordt weergegeven. Momenteel kunt u alleen presentatievariabelen maken.

  5. Voer in het veld Label een bijschrift in voor de variabelefilterprompt. Het bijschrift wordt weergegeven als het veldlabel van de prompt.
  6. Voer in het veld Beschrijving een korte beschrijving in voor de prompt. Deze beschrijving wordt weergegeven als functie-infotekst wanneer de gebruiker de cursor boven het label van de prompt in het dashboard of de analyse houdt.
  7. Selecteer in het veld Gebruikersinvoer hoe u wilt dat de gebruiker om invoer wordt gevraagd door de promptinterface. Bijvoorbeeld de gebruiker een keuzerondje aanbieden om slechts één promptwaarde te selecteren.
  8. Als u het type gebruikersinvoer Keuzelijst, Selectievakjes, Keuzerondjes en Lijstvak selecteert, moet u ook de waardelijst van de prompt opgeven.
  9. Selecteer de promptopties binnen de sectie 'Opties'. De promptopties variëren afhankelijk van het type gebruikersinvoer dat u hebt geselecteerd.

    Met de promptopties kunt u nader opgeven hoe de gebruiker met de prompt moet werken. Bijvoorbeeld of gebruikersinvoer vereist is.

  10. Selecteer in het veld Standaardselectie de promptwaarde die gebruikers in eerste instantie zien. Als u een specifieke waarde selecteert, wordt het veld Standaardwaarde weergegeven, waarin u een waarde kunt invoeren.
  11. Klik op OK om de prompt weer te geven in het deelvenster 'Definitie'.
  12. Sla uw wijzigingen op.