Smart View opties instellen

Stel opties in voor het weergeven van gegevens, onderdelen, opmaak en geavanceerde instellingen met behulp van de Smart View opties.

In Smart View kunt u opties op twee niveaus instellen: algemene opties en bladopties.

Algemene opties

Algemene opties zijn van toepassing op de hele huidige werkmap, inclusief alle nieuwe bladen die aan de huidige werkmap zijn toegevoegd, en aan werkmappen die op een later moment worden gemaakt. Wijzigingen in algemene opties zijn ook van invloed op bestaande bladen en werkmappen.

  • De opties die worden weergegeven op het tabblad Geavanceerd op de pagina Opties zijn algemene opties. U kunt deze opties ook openen vanuit een leeg blad.
  • De opties Rijonderdrukking, Kolomonderdrukking en Blokonderdrukking op het tabblad Gegevens zijn eveneens algemene opties.

Hier ziet u een voorbeeld van het tabblad Geavanceerd van het venster Opties. In dit voorbeeld wordt Aantal acties dat ongedaan kan worden gemaakt gewijzigd van standaardwaarde 0 in 4 en wordt de optie Diagnose activeren geselecteerd (de standaardwaarde wordt gedeselecteerd). Met deze opties kunt u maximaal 4 bewerkingen die ongedaan kunnen worden gemaakt uitvoeren en de diagnose activeren op alle bladen in de werkmap.

Afbeelding 5-1 Venster 'Opties', tabblad 'Geavanceerd'


Venster 'Opties', tabblad 'Geavanceerd'

Bladopties

Bladopties zijn specifiek voor het blad waarvoor ze zijn ingesteld. De opties die worden weergegeven op de tabbladen Gegevens, Onderdelen en Opmaak op de pagina Opties zijn bladopties.

U kunt de selecties van uw bladopties toepassen op alle bladen in de huidige werkmap door op de knop Toepassen op alle bladen onder aan het venster Opties te klikken.

U kunt bladopties ook opslaan als standaardopties voor nieuwe inhoud die u uit een gegevensbron importeert. Nadat u de vereiste opties hebt ingesteld op de tabbladen Gegevens, Leden en Opmaak, gaat u naar het tabblad Geavanceerd en klikt u op Huidige opties als standaard opslaan.