U kunt gegevenswerkbladen in het ontwerperpaneel maken voor nieuwe of bestaande applicatiewerkboeken. U kunt ook de weergave van dimensies en onderdelen in nieuwe of bestaande gegevenswerkbladen bewerken.
Ga als volgt te werk om een nieuw gegevenswerkblad aan te maken:
In een gegevensdimensieblad worden dimensies weergegeven in de kolomkopteksten. Deze geven de onderdeelcombinaties aan waarnaar de gegevens moeten worden geladen. De meest rechtse kolommen zijn de gegevenskolommen. Met de kopteksten van gegevenskolommen worden onderdelen van de gegevensdimensie opgegeven. Dit is de dimensie waarnaar u gegevens laadt. De gegevenswaarden bevinden zich in de gegevenskolomrijen.
In een plat blad wordt elke dimensie weergegeven in een kolomkoptekst. De laatste kolom, *Data* bevat de gegevenswaarden voor de opgegeven onderdeelcombinaties.
In een sandboxblad wordt elke dimensie weergegeven in een kolomkoptekst. De eerste dimensie is Dimension.Sandbox. In de laatste drie kolomkopteksten worden onderdelen van de dimensie 'CellProperties' weergegeven: EssValue, EssStatus en EssTID. Wijzig de kolommen 'EssValue', 'EssStatus' en 'EssTID' niet omdat deze voor interne doeleinden zijn. Het is belangrijk dat ze niet worden gewijzigd.
Nadat u een bladsoort hebt geselecteerd en daarna Naar werkblad of Van werkblad hebt geselecteerd, kunt u het bladsoort niet meer wijzigen via het ontwerperpaneel.
Er wordt een nieuw gegevenswerkblad gemaakt in het applicatiewerkboek.
Ga als volgt te werk om de volgorde van dimensies in het gegevenswerkblad te wijzigen:
Ga als volgt te werk om de volgorde van onderdelen in het gegevenswerkblad (alleen bladsoort 'Gegevensdimensie') te wijzigen:
Ga als volgt te werk om de onderdelen te selecteren die in een gegevenswerkblad (alleen bladsoort 'Gegevensdimensie') moeten worden weergegeven:
Als u gegevenswerkbladen aan een bestaand applicatiewerkboek wilt toevoegen, gaat u naar het tabblad Gegevens in het ontwerperpaneel. Klik op Van blad
en ga verder met de stappen in dit onderwerp.