Welke statistische analyses kan ik toevoegen aan visualisaties?

Voeg deze statistische analyses toe aan uw visualisaties om betere inzichten in uw gegevens te krijgen.
Beschrijving van GUID-F6772E69-9E99-49A9-9DFE-0679A982807A-default.png volgt hierna
.png

Prognose

De functie 'Prognose' gebruikt lineaire regressie om toekomstige waarden te voorspellen gebaseerd op bestaande waarden in een linaire trend.

U kunt toekomstige tijdvakken instellen om een waarde te voorspellen op basis van de tijdreeksen in uw gegevens. Zie voor meer informatie: Een prognose toevoegen aan een visualisatie.

Oracle ondersteunt deze typen prognosemodellen:

  • Auto-Regressive Integrated Moving Average (ARIMA): dit type is geschikt als de gegevens van tijdseries in het verleden niet seizoensgebonden zijn, maar genoeg observaties bieden (minstens 50, maar bij voorkeur meer dan 100 observaties) om een uitleg te bieden en toekomstige waarden te voorspellen.
  • Seizoensgebonden ARIMA: dit type is geschikt als de gegevens een regelmatig patroon van wijzigingen hebben die binnen een bepaalde periode worden herhaald. Een voorbeeld van seizoensgebonden wijzigingen in maandelijkse gegevens is dat er hoge waarden zijn in de zomermaanden en lage waarden in de wintermaanden.
  • Exponential Triple Smoothing (ETS): dit type is geschikt voor het analyseren van herhaalde gegevens van tijdseries zonder duidelijk patroon. In dit model wordt een exponentieel voortschrijdend gemiddelde gemaakt waarin de tendens van gegevens om zichzelf te herhalen in bepaalde intervallen in de loop van de tijd wordt meegenomen.
  • Prophet: dit type is geschikt als uw gegevensset langere tijdvakken omvat, meerdere sterke seizoensinvloeden heeft, eerder bekende onregelmatige events bevat, gegevenspunten mist of grote afwijkingen heeft.

U kunt er ook voor kiezen om een aangepaste berekening te maken met de functie FORECAST voor meer controle over instellingen of als u de prognose wilt gebruiken in andere visualisaties. Zie voor meer informatie: Analysefuncties.

Clusters

Met de clusterfunctie wordt een set objecten op zo'n manier gegroepeerd dat objecten in dezelfde groep meer coherence en nabijheid tot elkaar hebben dan tot objecten in andere groepen. Gebruik bijvoorbeeld kleuren in een spreidingsdiagram om clusters van verschillende groepen te tonen. Zie voor meer informatie: Een cluster of uitschieter maken in een visualisatie.

  • K-means clusteren: gebruik dit om "n"-waarnemingen te partitioneren in "k"-clusters waarin elke waarneming tot de cluster met het dichtstbijzijnde gemiddelde behoort, dat het prototype van de cluster is.
  • Hiërarchische clustering: gebruik dit om een hiërarchie van clusters te maken met een agglomeratieve (van beneden naar boven) of divisieve (van boven naar beneden) aanpak.
U kunt ook een aangepaste berekening maken met de functie CLUSTER voor meer controle over instellingen of als u de cluster wilt gebruiken in andere visualisaties. Zie voor meer informatie: Analysefuncties.

Uitschieters

Met de uitschietersfunctie worden de gegevensrecords getoond die het verst liggen van de gemiddelde verwachting van individuele waarden. Extreme waarden die het meest afwijken van andere observaties vallen bijvoorbeeld in deze categorie. Uitschieters kunnen variabiliteit in metingen, experimentele fouten of een nieuwe trend aangeven. Als u uitschieters toevoegt aan een diagram dat al clusters heeft, worden de uitschieters getoond met een andere vorm.

Uitschieters kunnen K-means clustering of hiërarchische clustering gebruiken. Zie voor meer informatie: Een cluster of uitschieter maken in een visualisatie.

U kunt ook een aangepaste berekening maken met de functie OUTLIER voor meer controle over instellingen of als u de cluster wilt gebruiken in andere visualisaties. Zie voor meer informatie: Analysefuncties.

Referentielijnen

Met de functie voor referentielijnen kunt u horizontale of verticale lijnen toevoegen aan een diagram die overeenkomen met de waarden op de x-as of de y-as. Zie voor meer informatie: Een referentielijn toevoegen aan een visualisatie.

  • Lijn: u kunt de lijn laten berekenen als gemiddelde, minimum of maximum. Als bijvoorbeeld in de luchtvaart de passagiersopkomst wordt geplot tegen de tijd, kan de referentielijn aantonen wanneer de opkomst voor een bepaalde maand boven of onder het gemiddelde ligt.
  • Bandbreedte: met de bandbreedte wordt het hoogste en laagste bereik van gegevenspunten aangetoond. U kunt een aangepaste optie of een standaardfunctie voor afwijking kiezen, en u kunt kiezen tussen gemiddeld, maximum en minimum. Als u bijvoorbeeld de verkoopcijfers per maand analyseert en u een aangepaste referentiebandbreedte gebruikt van gemiddeld naar maximum, kunt u zien in welke maanden de verkoopcijfers boven het gemiddelde, maar onder het maximum liggen.

Trendlijnen

Met de functie voor trendlijnen wordt de algemene koers van de betreffende metriek aangegeven. Een trendlijn is een rechte lijn waarmee een aantal punten in een diagram met elkaar wordt verbonden. Met een trendlijn kunt u de specifieke koers analyseren van een groep segmentcodes in een visualisatie. Zie voor meer informatie: Statistische analyses toevoegen aan visualisaties.

  • Lineair: gebruik dit met lineaire gegevens. Gegevens zijn lineair als het patroon van de gegevenspunten een lijn vormt. Een lineaire trendlijn geeft aan dat de metriek geleidelijk toe- of afneemt.
  • Polynoom: gebruik deze gebogen lijn als gegevens fluctueren. Deze functie is bijvoorbeeld handig om winst en verlies te analyseren in een grote gegevensset.
  • Exponentieel: gebruik deze gebogen lijn als gegevenswaarden steeds sterker toe- of afnemen. U kunt geen exponentiële trendlijn maken als de gegevens nul- of negatieve waarden bevatten.

U kunt ook een aangepaste berekening maken met de functie TRENDLINE voor meer controle over instellingen of als u de cluster wilt gebruiken in andere visualisaties. Zie voor meer informatie: Analysefuncties.